Als het carillon de norm is, wat staat ons dan nog te wachten?
Ik hoor wethouder Adam Elzakalai inmiddels voor de tweede keer het woord ‘positief’ in de mond nemen bij een belangrijk dossier. De eerste keer was bij een ‘positieve businesscase’ die bij nadere beschouwing behoorlijk wat vragen opriep. Nu ligt er een begroting voor 2027 waarin opnieuw trots een positief saldo wordt aangekondigd. Met dat ene magische woord lijkt opeens de deur wagenwijd open te staan voor een reeks reusachtige, kostbare projecten: een nieuw zwembad, de sanering van het Aagtenpark, een Integraal Kind Centrum, meer woningen en wijkvernieuwing.
Maar wie de begroting kritisch leest, kijkt niet alleen naar 2027. Het gaat uiteindelijk om het totale financiële beeld van Beverwijk op de lange termijn. En juist daar wringt het. Het college noemt de financiële uitgangspositie robuust, terwijl voor de jaren daarna tekorten worden voorzien. Een positief begrotingsjaar is mooi. Maar het is nog geen bewijs van structurele financiële ruimte.
Het carillon als kleine waarschuwing
Kijk naar het carillon. Niet omdat een carillon financieel vergelijkbaar is met een zwembad of het Aagtenpark, maar juist omdat het een relatief klein project is.
Volgens de officiële beantwoording van raadsvragen van 22 september 2026 was er al € 41.469,- aan publiek geld uitgegeven aan onderzoek, schetsontwerpen, restauratie van de klokken, reconstructie van het bouwwerk en technisch advies. Daar kwam een schadeloosstelling van € 17.297,50 bovenop voor de winnende architect. Inmiddels staat er dus € 58.766,50 aan gemaakte kosten en schadevergoeding op de teller, terwijl mogelijk nog verdere beëindigingskosten volgen. De klokken liggen nu ongebruikt op een opslaglocatie.
En waarop was de verwachte overschrijding van ongeveer € 20.000,- gebaseerd? Op de offerte van exact één aannemer. Andere offertes waren niet aangevraagd en kostenbesparende varianten waren door de winnende partij niet onderzocht.
Als burger mag je minimaal verwachten dat de gemeente uiterst zorgvuldig omgaat met het vergaarde belastinggeld. Dit is geen bewijs dat het volledige financiële beleid van Beverwijk ondeugdelijk is, maar het roept wel een simpele vraag op: als je bij een relatief klein project al bijna zestigduizend euro kwijt bent na beëindiging en je hebt alternatieven ononderzocht gelaten, hoe zorgvuldig worden dan de financiële risico’s van projecten van tientallen miljoenen doorgerekend?
Vertaald naar het bedrijfsleven
Vertaald naar het bedrijfsleven klinkt de redenering van het college ongeveer zo: ‘Onze financiële positie is robuust. We hebben voor 2027 een positief resultaat. We gaan daarom investeren in een nieuw pand, machines en uitbreiding. Voor de jaren daarna verwachten we echter tekorten. Die lossen we in de loop van 2028 wel op.’
Geen enkele ondernemer of CEO zou alleen naar het positieve resultaat van één jaar kijken. Die wil weten wat de structurele lasten worden, hoe groot de toekomstige tekorten zijn, welke risico’s aan de investeringen zitten en hoeveel financiële ruimte er daarna nog overblijft.
En dat is precies wat ik als inwoner wil weten.
De teruglopende Rijksbijdragen en het bekende ravijnjaar zijn geen verrassingen. Ze zijn al langer bekend. Als je die wetenschap combineert met grote nieuwe investeringen, moet je dus niet alleen laten zien dat je een project in jaar één kunt opstarten, maar vooral dat je het de jaren daarna kunt blijven dragen.
Het gaat om de rekening van morgen
Een nieuw zwembad is niet alleen de bouwsom. Het Aagtenpark is niet alleen de sanering. Een Integraal Kind Centrum is niet alleen een bedrag op een projectbegroting. Grote projecten brengen jarenlang kapitaal- en exploitatielasten, risico’s en onderhoudskosten met zich mee. Daarom vind ik het woord ‘robuust’ nogal gemakkelijk zolang voor de jaren daarna tekorten worden voorzien.
Wat hier in feite gebeurt, is simpelweg het vooruitschuiven van de financiële problemen. Precies het gedrag waarop bij de oude raad en het vorige bestuur altijd zo fel werd afgegeven, zien we nu opnieuw gebeuren: het lastige dossier van de tekorten wordt doorgeschoven naar de kadernota van 2028, terwijl de grote, onomkeerbare investeringen wél alvast in de steigers worden gezet.
Ik wil de harde meerjarencijfers zien. Niet alleen wat Beverwijk in 2027 overhoudt, maar wat er daarna gebeurt. Welke structurele lasten komen erbij? Hoe worden de investeringen gefinancierd? Welke risico’s zijn doorgerekend? En hoeveel ruimte blijft er over als de werkelijkheid tegenvalt?
Want een positief jaar op de kalender is leuk. Maar echte financiële robuustheid blijkt niet uit wat je vandaag kunt uitgeven. Die blijkt uit wat je morgen nog kunt betalen.
Als het carillon ons daarbij al een kleine waarschuwing geeft, lijkt het me verstandig om bij de miljoenenprojecten eerst de rekenmachine te pakken voordat we de champagne ontkurken.