Het Berlijnse Experiment: Als Begrip Vóór Handhaving Komt
Wat er momenteel in Berlijn gebeurt, overstijgt een gewone politieke verschuiving; het markeert een fundamentele verandering in de maatschappelijke filosofie. Met de politieke terreinwinst van Die Linke schuift een programma naar voren waarin zorg, inclusie en de-escalatie nadrukkelijk zwaarder wegen dan klassieke vormen van handhaving. De partij wil onder meer het gelaatsbedekkings- en beschermingsmiddelenverbod bij demonstraties afschaffen, wapenverbodszones schrappen en de Verfassungsschutz vervangen door een documentatiecentrum. Ook wil zij gevangenisstraffen tot een absolute uitzondering maken en de Ersatzfreiheitsstrafe, de vervangende hechtenis bij onbetaalde boetes, vergaand terugdringen.
Ook op andere terreinen kiest Die Linke nadrukkelijk voor een minder repressieve overheid. De partij wil Schwarzfahren uit het strafrecht halen, zet in op consumptieruimtes en zelfs inhalatieruimtes voor crack naar Zwitsers voorbeeld, en kiest voor vergaande vormen van schadebeperking in het drugsbeleid. Tel daar de voorstellen op het gebied van onderwijs, militarisering, woningbezit en auto-infrastructuur bij op en er ontstaat een duidelijke beleidsfilosofie: maatschappelijke problemen moeten vooral sociaal worden opgelost, terwijl repressie en klassieke handhaving steeds verder naar de achtergrond verdwijnen.
Ik noem dit fenomeen suïcidale empathie. Niet omdat medemenselijkheid of begrip verkeerd zouden zijn. Een gezonde samenleving hoort oog te hebben voor armoede, verslaving en uitsluiting. Empathie wordt echter destructief wanneer begrip voor het individu of de overtreder structureel zwaarder gaat wegen dan de noodzakelijke bescherming van het collectief. Wanneer voor degene die de wet overschrijdt steeds meer ruimte, begrip en voorzieningen worden gecreëerd, terwijl de bescherming van de burger die zich wél aan de regels houdt naar de achtergrond verdwijnt, begint de balans te verschuiven.
De maffia op het verkiezingsfeest: wanneer begrip corrumpeert
Dat deze discussie niet uitsluitend theoretisch is, werd tijdens de verkiezingsavond in Berlijn pijnlijk zichtbaar. Issa Remmo, een prominent lid van de beruchte Remmo-familie, verscheen op verkiezingsfeesten van Die Linke in Neukölln en Kreuzberg. Verschillende leden van de familie zijn in verband gebracht met zware georganiseerde criminaliteit, waaronder de diefstal van de 100 kilo zware gouden munt uit het Bode-Museum en de roof uit het Grünes Gewölbe in Dresden. De Linke verklaarde achteraf dat Remmo niet was uitgenodigd en dat er geen politieke of persoonlijke relatie met hem bestaat.
Tegelijk verscheen ook Ibrahim Ibrahim op de verkiezingsavond. Volgens berichtgeving en het Berlijnse Verfassungsschutz wordt hij in verband gebracht met het extremistische Umfeld rond de PFLP. Op foto's van de verkiezingsavond stond hij naast Linke-Bundestagsabgeordneter Ferat Koçak. Koçak heeft zich inmiddels uitdrukkelijk gedistantieerd van geweld- en terreurverheerlijkende uitspraken van Ibrahim en verklaard dat de partijbijeenkomst openbaar toegankelijk was.
Los van de vraag hoe bewust deze personen aanwezig waren, blijft het politieke beeld problematisch. Een partij die zelf sterk inzet op het terugdringen van repressie en die politie en sociale interventie anders wil organiseren, moet extra zorgvuldig zijn met de grenzen die zij rond georganiseerde criminaliteit en extremisme trekt. De aanwezigheid van Remmo en Ibrahim op partijbijeenkomsten bewijst op zichzelf geen politieke samenwerking. Maar zij maakt wel zichtbaar hoe dun de grens kan worden tussen inclusiviteit en het ontbreken van voldoende afstand.
De blinde vlek: asymmetrisch mededogen
Mijn bezwaar tegen deze ontwikkeling komt niet voort uit een gebrek aan mededogen, maar uit de reële vraag wat er gebeurt als begrijpen en gedogen het winnen van begrenzen en handhaven. Een samenleving bestaat immers niet enkel uit activisten, verslaafden of mensen die buiten het systeem vallen. Zij bestaat evengoed uit ondernemers, omwonenden, kinderen, slachtoffers en handhavers die afhankelijk zijn van duidelijke regels en een overheid die bereid is die regels daadwerkelijk af te dwingen.
Daar ontstaat een merkwaardige asymmetrie. Voor degene die een grens overschrijdt, is steeds vaker een maatschappelijke verklaring, een achterliggende oorzaak en een vangnet beschikbaar. Maar de andere kant van het verhaal krijgt veel minder aandacht: de winkelier die met overlast wordt geconfronteerd, de buurtbewoner die zich niet gehoord voelt en het slachtoffer dat met de gevolgen van criminaliteit blijft zitten. Begrip voor de achtergrond van een dader mag nooit betekenen dat de veiligheid en leefbaarheid van de rest van de samenleving als vanzelfsprekend worden beschouwd.
Het Nederlandse parallel: schadebeperking als vervanging van de wet
Berlijn is voor Nederland geen ver-van-mijn-bedshow. De onderliggende discussie kennen we hier al veel langer. Nederland heeft een diepgewortelde traditie van harm reduction, met onder meer verslavingszorg, drug checking, medische heroïneverstrekking en gecontroleerde vormen van opvang en begeleiding. Dat beleid is niet hetzelfde als de koers van Die Linke, maar het laat wel zien hoe sterk het uitgangspunt van schadebeperking inmiddels in het Nederlandse drugsbeleid is verankerd.
Daar ligt ook het kritieke punt. Schadebeperking kan een aanvulling zijn op handhaving, maar wat gebeurt er wanneer zij steeds meer als alternatief voor handhaving wordt beschouwd? Wanneer niet langer de vraag centraal staat hoe iemand uit een destructieve situatie kan worden gehaald, maar vooral hoe die situatie beheersbaar kan worden gemaakt?
Ook in de Nederlandse politiek is die spanning zichtbaar. BIJ1 legt sterk de nadruk op preventie, bestaanszekerheid en het terugdringen van repressieve maatregelen, terwijl GroenLinks-PvdA preventie en een humaan beleid combineert met investeringen in politie, justitie en de aanpak van georganiseerde criminaliteit. De verschillen zijn dus aanzienlijk. Maar de bredere ontwikkeling is interessant: begrippen als inclusie, de-escalatie en preventie krijgen steeds meer gewicht, terwijl klassiek overheidsgezag en harde grenzen vaker ter discussie staan.
Berlijn als waarschuwing: de grenzen van empathie
Wat Berlijn laat zien, is dat maatschappelijke verschuivingen zelden beginnen met één grote sprong. Ze ontstaan door een opeenstapeling van beleidskeuzes. Wat eerst menswaardig heet, wordt inclusief, vervolgens preventief, totdat controle, normering en handhaving zelf steeds vaker als het probleem worden beschouwd.
Dat proces hoeft zich in Nederland niet op dezelfde manier te voltrekken. Maar het is wel een ontwikkeling die kritisch gevolgd moet worden. Want empathie zonder grens kan uiteindelijk omslaan in onverschilligheid tegenover degenen die juist bescherming van de overheid nodig hebben.
De vraag is daarom niet of empathie een deugd is. Natuurlijk is dat zo. De vraag is hoeveel begrip een samenleving zich kan veroorloven voordat begrip voor het individu uiteindelijk ten koste gaat van de bescherming van het collectief. Een overheid moet kunnen begrijpen waarom iemand een grens overschrijdt, maar zij moet bovenal bereid zijn die grens te bewaken.
Want een staat die iedereen wil begrijpen, alles wil faciliteren, maar steeds minder bereid is om te handhaven, verwaarloost uiteindelijk haar belangrijkste kerntaak: de bescherming van de samenleving als geheel.